maandag 15 maart 2004

Oogarts
Ik hield al bijna mijn hand op om mijn nieuw pakketje maandlenzen aan te nemen, maar in plaats daarvan kreeg ik een wijzende vinger.
"Jij gaat naar de oogarts. Nu!", zei hij terwijl hij vanachter de microscoop, waar ie mee in mijn oog tuurde, kwam.
"Nu? Het is bijna vijf uur!"
"Voor mijn part rij je naar de spoedgevallen en veroer je je niet tot er een oogarts je onderzocht heeft, maar je laat naar je ogen kijken."
"Maar wat is er dan?"
"Je weet heel goed dat ik geen diagnose mag stellen, maar wat ik zie is verontrustend genoeg om je nu naar een oogarts te schoppen", zei de contactlenzenmeneer en hij prikte me met die uitgestrekte wijsvinger de deur uit.

Zeventien telefoontjes later belde ik aan bij een onbekende oogarts die me nog wel even wilde onderzoeken voor hij aan de tafel schoof waar zijn vrouw het eten al had klaargezet.
De bel klingelde door de hall en ik werd me een buzzje van de deur binnengelaten. Mijn voetstappen galmden door de gang die zo groot was dat je er onze hele woonkamer in kon parkeren. De muren waren donkergroen geschilderd en behangen met een fluweelachtig bordeaux behang. Bovenaan de trap zaten twee monsterlijke beeldjes op mijn neer te loeren. Vanuit mijn ooghoeken meende ik hun oogjes te zien opgloeien, maar dat kan ook aan de slechte gezondheid van mijn eigen kijkers gelegen hebben.
Wijfelend bleef ik middenin een grote pikzwarte tegel staan, tot ik een bordje wachtkamer in het oog kreeg. De deur draaide piepend open en ik liep een kamertje binnen vol Victoriaans-aandoende zetels. Zware fluwelen gordijnen lieten geen straaltje licht meer binnen. Op de vensterbank stond een kandelaar te flakkeren. De vloer kraakte terwijl ik naar de middenste groene zetel liep.
"Een spookhuis. Ik zou dit zo als de scene voor een spookhuis gebruiken, dacht ik terwijl beelden van "The Haunted" door mijn gedachten schoten."
Het bleef stil, alleen de ruitjes rammelden in de sponning door de beukende regen. Ik diepte mijn boek uit mijn tas en probeerde de omgeving te negeren.

"Komt u maar!"
De stem liet me in mijn stoel opwippen. Met een bonzende hart keek ik op naar een man in het wit.
"Sorry, ik had u niet horen aankomen", stotterde ik en verzamelde haastig al mijn spullen. Ik volgde de wapperende witte jas naar het kabinet. Op de drempel bleef ik staan. Het was stikdonker. Eén bureaulampje gaf voldoende schijnsel zodat ik een stoel wist te vinden.
"Zeg het maar", lachte de man terwijl ik op een kerkstoel-achtig ding klauterde.
Ik deed hem het verhaal van de prikkende wijsvinger van mijn contactlenzenmeneer. Hij knikte en hij wenkte me naar de linkerhoek van de kamer, waar een stoel en een microscoop in het donker verscholen stonden.
"Lees die letters eens", wees hij naar de andere hoek.
In het donker kon ik net een paneel ontwaren. Terwijl ik probeerde knikte hij.

"Een maand geen lenzen en vier druppeltjes per dag", mompelde hij in zichzelf. Verbaasd keek ik hem aan.
"Moet je niet met zo'n microscoopdingetje in mijn ogen turen?", vroeg ik. Glimlachend duwde hij een voorschriftje in mijn handen, stak zijn hand op zodat ik hem kon betalen en hield de deur voor me open. Buiten in de gietende regen keek ik nog even op mijn horloge. Was het al te laat om nog naar het ziekenhuis te gaan. Voor een degelijk onderzoek?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten