donderdag 21 oktober 2004

Wegdromen
Er was een boekencafé waar de geur van versgemalen koffie tussen de torenhoge boekenkasten dreef. Er was een bakkerijtje waar het brood vers uit de over geplukt werd. Er waren tientallen popperige, kleurrijke huisjes. Meer niet.
Vanuit de mini-zithoek keken we uit op de fjord. Aan de overkant rees een massieve, grijze rotswand op. Het huisje voelde in de omgeving nog kleiner aan dan het al was, piepklein. Er was een steiger. Een wankel, houten gevalletje met op het einde een bootje aangemeerd.
De avonden herinner me ik het beste. Hoe we de fjord op peddelden; papa, grote kleine broer - toen nog kleine kleine broer - en ik. Zij visten het avondeten bijeen terwijl ik rond keek. Soms had ik het gevoel dat ik geen adem meer kon halen. Ik wilde zoveel bekijken, zoveel in me opslaan, was te verbaasd. Ik keek naar de wemeling van het water; van helder ijsblauw tot donkergrijs. Ik keek naar de toppen van de bergen die zwart aflijnden tegen de oranje-gouden hemel. Ik keek naar mama, lezend op de steiger. Ik keek naar het piepkleine huisje, een week lang onze thuis in Noorwegen.

Ik vond nooit de woorden om het ingeslapen dorpje, verborgen tussen de fjorden te beschrijven. De tweede dag liet in mijn dagboek onder in mijn rugzak glijden. 'Beloof om hier nooit terug te komen', bezwoor ik mezelf op het papier.
Ik hou mezelf aan die belofte. De herinnering is simpelweg te mooi.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten