vrijdag 10 december 2004

Koud
'We zullen jou eens laten uitwaaien', zei hij. Alsof hij me met twee wasknijpers aan de waslijn zou vastpinnen zodat de wind eens goed door mijn lijf en leden zou kunnen wapperen. En wanneer ik helemaal leeg- en frisgewaaid ben, zou hij me netjes kunnen opvouwen en zachtjes in de zetel deponeren, tussen een stapel boeken, DVD's en een dampende kop koffie.
Maar in plaats daarvan nam hij me mee naar zee. We ploegden door het mulle zand, naar de waterlijn en slenterden de mist in. Alles buiten de omtrek van 10 meter werd opgeslokt door een witte waas. We slenterden tussen voetsporen die naar nergens leken te leiden. Grote, stevige passen, diep in het zand gestampt wervelden over kleine, lichte stappen die nauwelijks zichtbaar waren. De kou beet onze wangen, neus en oren rood, maar de wind bleef uit. Mijn haren wapperden niet. De panden van mijn jas flapperden niet om mijn benen. Er stond geen zuchtje wind. Er was geen mogelijkheid om je leeg- en fris te laten waaien.
'Je bent dan wel niet uitgewaaid', bibberde hij wat later, terwijl hij zijn handen om een warme mok chocolademelk vouwde, 'maar uitgevroren ben je zeker.'
Ik grijnsde, voor zover dat mogelijk is met bevroren wangen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen