donderdag 7 april 2005

Literaire lente
"Eendjes vissen. Eendjes vissen", brulde stem over het stationsplein. In het grijze ochtendlicht flonkerden de honderden lichtjes van een viskraampje. Het meisje in het kermiskraampje liep heen en weer en riep zich de longen uit het lijf. Ze klemde zich vast aan één van de schappen en boog helemaal voorover terwijl ze bleef roepen net alsof ze de woorden helemaal naar het andere eind van het stationsplein wilde gooien.
"Eendjes vissen. Eendjes vissen. Vis een eendje en win een boek"

Eendjes vissen als zesentwintigjarige zonder de begeleiding van een achtjarige en jonger mag dan wel onder licht afwijkend gedrag vallen, voor een boek heb ik al heel wat over. Voor het eerst in twintig jaar klemde in een eendjesvishengel in mijn handen en speurde de stroom veelkleurige eendjes af.
Links van mij dobberde een vaalpaars exemplaar. Hij hupste tegen de rand gedrumd mee op het kolkende water. Ik haakte mijn hengel door het oogje en viste mijn vangst uit het water. Met een nadruppelend eendje stond ik te wachten. Het meisje brulde intussen haar repetoire opnieuw en opnieuw uit en liep naar mijn idee vervaarlijk rood aan. Juist voor ik me behoorlijk belachelijk begon te voelen - bungelend eendje aan hengel - kreeg ze mij in het oog. Ze haakte mijn vangst los, bekeek de onderkant en riep triomfantelijk: "Nog een winnaar, dames en heren! Nog een winnaar!"
Ik kon me bijna niet voorstellen dat dit meisje normaal in een boekenwinkel werkt waar mensen fluisteren en stil langs de rekken schuifelen. Ze klom op de toonbank en reikte naar één van de bovenste planken.

Met 'De Hongerheldin' onder mijn arm geklemd trok ik naar mijn werk. "Eendjes vissen. Vis een eendje en win een boek" hoorde ik haar nog vaag roepen aan de andere kant van het stationsplein.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen