donderdag 1 mei 2003

Groene vingers
Een paar weken verzamelde ik ze allemaal in een hoekje. De kapotgevroren en uitgedroogde lijkjes van plantjes die deze koude winter niet overleefd hadden. Ik voelde me schuldig. Ik had ze op het terras laten staan, onbeschermd en onbeschut. Terwijl het vroor en sneeuwde stonden ze bibberend in de kou. Terwijl wij ons warmden aan de kachel en glimlachend warme soep dronken kwijnden mijn plantjes weg in de diepvries die ons terras geworden was. We haalden zelfs een denneboom in huis, maar de plantjes bleven buiten staan. En ik, ik had niets in de gaten.
In de lente keek ik elke dag vol verwachting naar mijn plantjes. Op zoek naar een groen blaadje, een nieuw takje. Maar er kwam niets, hun takjes bleven dor en bruin. Er zat geen leven meer in. Het hele terras stond vol met dode plantjes. Ik werd er droef van. Ik verzamelde ze in een hoekje om later naar het containerpark te brengen. Vandaag was het zover. Spijtig laadde ik de ene plant na de andere in. Tot ik opeens onder de berg een sprankje groen zag, en nog eentje en nog eentje. Ik trok drie potten uit de hoop en keek ze verwonderd aan. Voor mij stonden drie bloeiende plantjes. Mooie groene blaadjes met vrolijk gekleurde bloemetjes.
Ik heb ze terug op het terras gezet. Mooi in de zon. Voedende korreltjes gestrooid en veel water gegeven. Ze geven glans aan ons terras. Mijn drie niet-dode plantjes.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen