donderdag 24 februari 2005

Rwanda – 2002
Aarzelend zochten mijn vingers hun weg op het qwertyklavier. Ik typte enkele mails vol. Opgewekte en geruststellende woorden, maar tussen de regels in was de krop in mijn keel te lezen. Was te lezen hoe mijn hand had gebibberd toen we de massagraven bezochten. Tussen de regels door schreef ik hoe Rwanda mij naar de keel greep en me vasthield. Hoe ik geraakt werd, door wat jaren geleden gebeurde.
Een gloeilampje wiegde zachtjes in de bries die door het open raam waaide. Het stof op de vloer dwarrelde op toen ik mijn stoel naar achter duwde en een medereiziger aan het klavier aanschoof. Ik leunde tegen de ruwe muur en sloot mijn ogen, moe en uitgeput. Voor het eerst sinds lang voelde ik me alleen. De hele dag waren we met een groep van twaalf tot twintig mensen op stap, maar toch voelde ik me eenzaam.
De stenen schuurden mijn blote schouders open, mijn tenen staken zwart en stoffig uit mijn sandalen, een zweetdruppel gleed langs mijn rug naar beneden. Ik kneep mijn ogen dicht tot ik sterretjes zag dansen.
Plots voelde ik hoe ik weggetrokken werd van de muur. Twee armen omsloten me en iemand trok mij dicht tegen zich aan. Een hand streelde zacht mijn rug. Ik ontspande mijn ogen en leunde tegen de ander aan. Langzaam loste de krop in mijn keel. Zonder iets te zeggen bleven we zo staan, minutenlang. Ik wilde niet loslaten en de ander liet mij niet los.
Het gloeilampje wiegde zachtjes in de bries die door het open raam waaide…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten