maandag 4 april 2005

Hotel Rwanda
Luister

Het hotel kwam in beeld en ineens wist ik het weer. De oprijlaan, de lobby, de vlinders die uit de struiken omhoog fladderden. Tot kort daarvoor was ik die herinnering kwijt, kon ik me enkel nog het zwembad voor de geest halen. Het helblauwe water en de vrolijk gestreepte parasols stonden in schril contrast met wat onze Rwandese begeleider Ernest vertelde. De geschiedenis van het hotel Mille Collines, de gruwelen van de genocide.
Lang had ik getwijfeld of ik ‘Hotel Rwanda’ wel wilde zien. Ik kende het verhaal. Ik had littekens, massagraven, verminkte mensen, het verdriet en de woede gezien tijdens de inleefreis door Rwanda. Ik had me zo klein mogelijk gemaakt terwijl onze partners en gidsen hun verhaal vertelden. Ik was 15 toen de genocide zich aan de – voor mij – ander kant van de wereld voltrok en had me de omvang ervan nooit echt gerealiseerd. Wat toen berichtgeving in de marge was, werd hier ongemeen echt. Ik was 23 toen ik met mijn neus op de omvang van de gruwelijkheden gedrukt werd en twijfelde of ik dat nog eens wilde.

‘Hotel Rwanda’ vertelt het verhaal van Paul Rusesabagina, manager van het chique hotel Mille Collines in de Rwandese hoofdstad Kigali. In 1994, toen de Hutu's in 100 dagen tijd bijna een miljoen Tutsi's afslachtten, bood Rusesabagina - zelf Hutu - ruim 1200 vluchtelingen onderdak in dat hotel. Door omkoping, zijn hooggeplaatste contacten aan te spreken, te dreigen en te smeken, slaagt hij erin de moordende Interahamwe buiten het hotel te houden.
‘Hotel Rwanda’ vertelt een verschrikkelijk verhaal. Niet in beeld, want de film toont amper beelden van de slachtpartijen. Het is de haat die angst aanjaagt. Mensen werden vermoord om een etiket dat ze ooit opgeplakt kregen. Het Westen trekt zijn handen ervan weg.
Het doet pijn om te weten dat dit niet zomaar een film is. Aan de basis ligt niet enkel een goedgeschreven script. Dit is echt.

Terwijl we de zaal uitlopen denk ik aan Dativa die altijd lachte. Soms droef, soms vol hartelijkheid, maar ze bleef lachen. Regelmatig streelde ze met haar vingers het litteken dat een manchettehouw in haar wang achterliet.
'Ik kwam er goed vanaf.'
We zaten op een trapje aan de ingang van de jeugdherberg. Het was een heldere nacht en boven Kigali flonkerden duizenden sterren. Zwijgend dronken we een slok water uit onze flesjes.
'Ik ben er nog.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen