donderdag 26 januari 2006

Gedichtendag 2006
Tussen m'n boeken verschuilen zich heel wat gedichtenbundels. Zelden ga ik er echt mee zitten. Maar verschillende keren per week schuif ik één van de mini-boekenruggetjes zachtjes uit de rij om gewoon wat te bladeren. Met m'n rug tegen de muur, op de trap, voeten twee treden lager verdwaal ik kriskras tussen de pagina's.

Op het Gedichtendag mag het ook even hier:

Thuiskomst

Ik heb je lief, al kan ik het niet weten,
Ik bedenk het als je thuiskomt van een dag
in je leven. Maar het is geen gedachte.
Je streelt mijn wang en wie weet,
dat gebaar. Het wordt duizend keer gemaakt
voor het bestaat. Hangt je jas aan de kapstok,
iets van niets, maar morgen ontbreekt het
misschien. Of schudt de dag uit je haar.
Wat ik dan daarin zie, is het begin.
Het huis ontstaat, de tafel neemt plaats,
wij veroorzaken elkaar. Het is toch niet
denkbaar dat iemand dit alles verzint.
(Bernard Dewulf)


Meer moois? Snuffel dan zeker eens bij Neneh en Samoera

dinsdag 24 januari 2006

Grog
'Je bent vroeg', merken m'n twee vroege-vogel collega's op.
'Beetje ziek. Kon niet meer slapen. Ben dan maar wat vroeger vertrokken', mompel ik vanachter een dampende kop koffie, terwijl ik verder door de keukenkast speur.
Een Grote Zoektocht naar suiker, citroen en honing, want ik wil m'n brouwseltje.
Een brouwsel dat zolang ik me al kan herinneren hoort bij het gevoel van een ruwgehoeste keel, verstopte neus en oren die af en toe dienst weigeren. Warm water, veel citroensap en honing, wat suiker voor de smaak. Het liefst geserveerd terwijl ik in een deken gewikkeld in de zetel wegzak. Maar bij gebrek aan makkelijk zitmateriaal op m'n bureau ben ik bereid ook tevreden te zijn met m'n bureaustoel.
Honing en citroen zijn niet te bespeuren in de gebouwen. Thee, koffie, twijfelachtige zandkoekjes en wat crackers is al wat m'n Grote Zoektocht oplevert.
Valt daar een goede grog van te maken?

maandag 23 januari 2006

Klusje
Repen roze behang dwarrelen op de grond. Met één hand scheur ik ze los van de muur, met de andere peuter ik kleine hoekjes los om de volgende reep te lijf te gaan. Wat achterblijft is een laag vaalgeel papier. De kamer vult zich met grote en kleine stukken foeilelijk behang.
In de hoek pruttelt (bij gebrek aan een beter woord) de 'behangafstoomer'. Hij puft grote wolken uit. Tegen het plafond hangt al een laagje mist. Ik nestel me in kleermakerszit in een hoek van de kamer.
Stomen, peuteren, lostrekken. Stomen, peuteren, lostrekken. Tot ik plots geen muur meer vind om te lijf te gaan, maar een deuropening.
Terug naar m'n eerste hoekje, een meter hoger. Ik schuif doorheen de kamer zoals het papier door een oude typmachine. Stomen, peuteren, lostrekken. De mist kolkt om m'n hoofd. De tijd tikt ongemerkt voorbij.
Wanneer ik me zo ver mogelijk uitrek om zonder ladder toch bij de bovenste laag te komen, plaatst er een mini-iemand een welgemikte stamp ter hoogte van mijn navel.
Tijd om Lief het resterende slagveld op te sturen ...