Posts tonen met het label op de fiets. Alle posts tonen
Posts tonen met het label op de fiets. Alle posts tonen

maandag 22 april 2024

Ankerpunt

Hij was een ankerpunt op weg naar het werk. Net zoals de brug (alsjeblieft niet open), de lichten (hopelijk niet op rood) en die ene steile helling bergop (lang leve de elektrische fiets)

Hij stond altijd buiten. Weer en wind wikkelden hem in een dikke jas, muts en sjaal. Knalroze ochtendluchten trokken zijn blik naar boven. Prille zomerzonnetjes lieten een klapstoeltje uitklappen op de stoep.
Ik sjeesde steevast voorbij voor het acht uur is en hij stond er als vast ankerpunt. Het begon met een knikje, toen een opgestoken hand en na enkele weken een vrolijk gezwaaide ‘goeiemorgen’.
Mijn ‘zwaaiopa’ was een echo van mijn eigen opa. Nooit meer in zijn sas dan op 1 september, waar hij opnieuw kon wuiven naar alle kinderen die terug naar school gingen.

Misschien heb ik het de eerste keer niet gemerkt, maar na enkele dagen waaide er een ongrijpbare vleug onbehaagelijkheid. Iets was anders, tekort. Tot ik voelde hoe mijn blik naar nummer 173 getrokken werd en er enkel en alleen een gesloten deur te zien was. Week na week, rekte ik mijn hals en vertraagde ik mijn snelheid, maar er was geen wuivend gebaar te zien.

Deze morgen stond hij er opnieuw. Ik wuifde mijn arm net niet uit de kom. ‘Goeiemorgen!’
En iets in mijn lijf loste. Hij stond er opnieuw.

donderdag 14 april 2016

De net geen goeiemorgen #opdefiets

Hij is een ankerpunt op de weg naar werk. Net zoals de brug (hopelijk niet open), de lichten (hopelijk niet rood) en de twee stukjes omhoog die om ietwat voor acht soms te veel vragen van mijn bovenbenen.
Een opa met een pijp, beige vissershoedje en een mopshond aan zijn voeten. Elke morgen zit hij op het groene bankje waarbij ik voorbij fiets. En elke morgen knik ik naar hem als ik hem voorbij sjees op het stukje bergaf. Vraag me niet waarom, maar hij heeft een hoofd dat vraagt om tegen geknikt te worden.
Elke morgen kijkt hij me aan. De eerste morgen met lichte verbazing, later met een gezicht dat niets weggeeft, maar nooit knikt hij terug.
In mijn hoofd is het een wedstrijdje geworden. Ik knik, ik glimlach vriendelijk. Ik steek nog net mijn hand niet op. Maar de dag dat hij terug knikt steek ik hoogstwaarschijnlijk mijn vuist in de lucht van contentement. Dan heeft hij alvast weer iets om verbaasd over te zijn.