maandag 21 maart 2011

Spring

Ik hol over het zand. Net een tikkel trager dan mijn uitgelaten nageslacht.
De één holt regelrecht op een grote berg zand af, plant zijn schop in het zand en graaft zich een weg in de diepte.
Voor de tweede moet ik een tandje bijzetten en kan ik nog net een kraag vastgrijpen om te vermijden dat de eerste ijsberenduik een feit is.

Hier hebben we licht, ruimte en lucht. Weg van tussen de muren die maand na maand dichter leken te staan. Het is tijd voor licht en ruimte. Voor lentemorgens en bedauwde grastapijten. Voor blote voeten en blote armen. Het is tijd voor lucht. Wijd en blauw. Voor waterdruppels rond sproeien en bellen het luchtruim laten kiezen.

Met plezier springen wij een gat in de lente.

dinsdag 1 maart 2011

Carpe Diem

Ze is het levende voorbeeld van de frase 'Pluk de dag'. Ontdaan van pyjama en nachtpamper holt ze zingend en zwaaiend de woonkamer binnen. Lalala-end en handenzwaaiend is zij het bewijs dat de ochtendstond goud in de mond heeft. Niets, maar dan ook niets is in staat de glimlach van onze jongste haar gezichtje te vegen.
Ze danst, speelt en ontdooit ons ochtendhumeur met een koppige vastberadenheid.
Dag na dag kruipt haar goed humeur ook meer onder mijn huid.
Ze is mijn kop koffie in de morgen.
Mijn persoonlijke vogelkoor aan het raam.
En in ruil zing ik met alle liefde van de wereld 'Schuddebollepats' in de beslotenheid van de auto.

woensdag 16 februari 2011

Spiegel

Soms kijk ik naar mijn kinderen, maar zie mezelf. Als KleineVent voor de televisie zit en roept 'Ik ben Bliksem', net zoals ik vroeger ruziede met mijn neven over wie 'MiepMiep' mocht zijn als 'Roadrunner' speelde. Of hoe KleineVent duikboot speelt in een bad dat daar eigenlijk echt wel te klein voor is, hoe graag de grenzeloze fantasie van een kleuter het ook anders zou willen zien. Dan zie ik mezelf over de badrand gluren naar mijn moeder die met soppende sokken op het soppende badkamertapijt stond.
Of zoals KleineMeid zich gisterenavond vastklemde aan haar prentenboek. Geen knuffel was goed genoeg. Alleen wat Guido Van Genechten uit zijn tekengerei toverde.
Mijn slapende peuter, met een kartonnen prentenboek in haar armen geklemd. Het onmiskenbare bewijs dat ook zij enkele prioriteiten meekreeg via de navelstreng.


Zo, tot snel? Tot later? Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik kriebelende schrijfvingers niet wil negeren.