Brooddegen
Herinnert u zich deze nog?
Wel, we gingen dus brooddegen. (Jawel, dat bestaat ook als werkwoord. Neen, ik verzin niet zomaar maar iets.) Geheel volgens het recept - mijn in handen gestopt door een deskundige - mengde ik één kop bloem, één kop zout en één kop water door elkaar tot...
ik een slijmerige massa verkreeg. Twee kinderkopjes loerden mij van links en rechts aan terwijl ik vlijtig kneedde steeds herhalend 'bijna klaar, bijna klaar'. Al het kneden ten spijt bleef de drab, gewoon drab. Waar er draptaartjes mee te maken waren. Wat KleineMeid glunderend deed. Zo glunderend dat de draptaartjes mee verhuisden van de keukentafel naar de zetel zodat pop ook een taartje kon eten.
'Wat extra bloem dan maar', dacht ik op dat moment. Ik reikte naar de zak bloem, schudde en zag nog net een ijl zweempje de pot in dwarrelen. Links van me zat een KleineVentenkopje me nog steeds hoopvol aan te kijken, wat me tot het domste dat ik kon doen aanzette. Ik nam mijn sleutels holde door de gang, de straat op en belde bij de buren aan. Die er niet waren. Holde naar de andere buren. Die wel bloem hadden, maar in de kelder. Heb je even? En o ja, hoe staat het met de verbouwingen? Ah nog niet begonnen. Juist, wat wou je ook al weer? Bloem. Wacht ik ga het even halen.
Eenmaal met bloem terug binnen zag ik dat KleineVent het kneden in eigen handen had genomen. En ook dat hij die drab niet zo leuk vond als zijn zus en dus zijn handen wilde afdrogen, wat ook niet bijster lukte gezien het brooddeeg-spoor van keuken naar badkamer naar woonkamer.
Maar hei! We gingen knutselen dus we gaan knutselen.
Ik schoof het eerste mengsel aan de kant en begon dapper opnieuw. Met een beetje minder water en kijk... je kon er zowaar sliertjes mee draaien. KleineVent en KleineMeid waren weer geïnteresseerd en klommen op hun stoel. Ze draaiden sliertjes, prikten koekjes uit en legden alles op de bakplaat. Of wacht... KleineVent legde van alles op de bakplaat. Ik draaide me naar KleineMeid die me met bolle wangen aankeek. En dat moment uitkoos voor een welgemikte
'Bleh'. Wupsakee daar belandde een goed uitgekauwd bolletje zoutdeeg op de grond. Waar KleineVent prompt insprong om een nieuw vormpje te gaan halen dat hij laten liggen had aan de andere kant van de kamer.
En toen was de bakplaat vol en het deeg op (neen, ik had het echt niet verstopt. Het was gewoon op), vertrokken de kinderen richting tuin en keek ik in de keuken en woonkamer rond. En besloot dat brooddegen meer dan een middagvullende activiteit is, zeker voor diegene die nadien niet alleen opruimt maar vakkundig alle restjes van heel gevarieerde oppervlakten mag afpulken.
De nutteloze tips van mijn kant (maak het deeg op voorhand, brooddeeg bij voorkeur buiten) wist u natuurlijk lang al. Dat hoefde ik u helemaal niet te vertellen, toch?
maandag 30 mei 2011
donderdag 26 mei 2011
Mijn wijnkisten
Ze staan nog altijd even wankel op elkaar, torsen geluidloos letters, woorden en verhalen. Dit is mijn plek tussen trap en trap. Met mijn rug naar de deuren, onconfortabel geplooid over enkele treden is dit mijn deur naar 'weg'.
Waar anders dan hier kan ik, na een dag die te zwaar op mijn schouders woog, iets vinden als dit:
Twee
Destijds in kinderspelletjes kon je,
bv. als je veter was losgeraakt,
gewoon 'twee' zeggen, en dan stond je
even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.
Voor jou had dat moeten blijven gelden.
Dat je 'twee' zei, 'ik ben even
mijn man kwijt', en dat die de laatste tien jaar
dan niet hoefden mee te tellen.
Of dat je, in plaats van te sterven
gewoon verstoppertje speelde
en dat we je nog steeds
niet hadden gevonden.
(H. Deconinck)
Vijfjarenplan
Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan.
Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.
Jij van je trots, en ik van hoe die zacht kan breken
in mijn armen. Jij van je moed. Ik van je zwakte nu en dan.
Hou jij van de toekomst. Ik van wat voorbij is gegaan.
Hou jij van de honderd levens die je wilde leven.
Ik hou van dat ene dat is overgebleven
en van hoe je daarom zo ver weg kunt zijn dicht tegen me aan.
Ik hou van wat is. Jij van wat zou.
Hou jij van mij. Ik hou van jou.
(H. Deconinck)
Ze staan nog altijd even wankel op elkaar, torsen geluidloos letters, woorden en verhalen. Dit is mijn plek tussen trap en trap. Met mijn rug naar de deuren, onconfortabel geplooid over enkele treden is dit mijn deur naar 'weg'.
Waar anders dan hier kan ik, na een dag die te zwaar op mijn schouders woog, iets vinden als dit:
Twee
Destijds in kinderspelletjes kon je,
bv. als je veter was losgeraakt,
gewoon 'twee' zeggen, en dan stond je
even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.
Voor jou had dat moeten blijven gelden.
Dat je 'twee' zei, 'ik ben even
mijn man kwijt', en dat die de laatste tien jaar
dan niet hoefden mee te tellen.
Of dat je, in plaats van te sterven
gewoon verstoppertje speelde
en dat we je nog steeds
niet hadden gevonden.
(H. Deconinck)
Vijfjarenplan
Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan.
Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.
Jij van je trots, en ik van hoe die zacht kan breken
in mijn armen. Jij van je moed. Ik van je zwakte nu en dan.
Hou jij van de toekomst. Ik van wat voorbij is gegaan.
Hou jij van de honderd levens die je wilde leven.
Ik hou van dat ene dat is overgebleven
en van hoe je daarom zo ver weg kunt zijn dicht tegen me aan.
Ik hou van wat is. Jij van wat zou.
Hou jij van mij. Ik hou van jou.
(H. Deconinck)
vrijdag 20 mei 2011
Annie
100 zou ze zijn vandaag. En daarom vis ik deze eens op. Lang geleden gehoord en nooit vergeten:
maar ook deze,
100 zou ze zijn vandaag. En daarom vis ik deze eens op. Lang geleden gehoord en nooit vergeten:
"Wanneer andere vrouwen stofzuigen, 's morgens om negen uur, of bedden opmaken of andijvie wassen, dan zit ik uit het raam te staren. Of ik lig op de bank. En niemand wil geloven dat dat werken is. Heel hard werken zelfs. En ik verdien er mijn brood mee. Ik lig dus op die bank en denk: Wat klinkt leuker: Ringel Rangel Ronde, of Ringel Rangel Roezemoes? Soms kan ik een kwartier met zo'n probleem bezig zijn. Er kwam eens een schilder de kamer behangen. Gaat uw gang maar, zei ik, dan werk ik ook gewoon door. Hij zag mij op de bank liggen en vond het duidelijk vreemd, maar liet niets merken. Na een uurtje zei hij: Moet u nou niet ‘s een beetje rusten?”
maar ook deze,
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit lang zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het lang waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
(Annie M.G. Schmidt)
Abonneren op:
Posts (Atom)